+
Algemeen

Цcosysteemstroom (rivier)


Informatie over de rivierwaterloop:


Naar de FlieЯgewдssern graaf open (in de zin van niet-ondergrondse) wateren, die, in tegenstelling tot de staande wateren (bijvoorbeeld meer), in constante, vloeiende beweging zijn. Natuurlijke rivierwateren zijn in oplopende volgorde: straaltje, kreek, stromen en stroom.
De afbakening van de afzonderlijke rivieren is zeer ongelijk in de literatuur. Afhankelijk van de auteur is het criterium de lengte, breedte, snelheid of stroomgebied.

Bovenste, middelste en onderste bereik

Stromingswateren of rivieren zijn verdeeld tussen het begin (bron) en het einde (mond) in bovenste, middelste en onderste bereiken:
1. bronBij de bron ontspringt de rivier. Vaak komen verschillende kleinere bronnen samen en vormen met toenemende lengte een steeds grotere stroom.
2. bron: De bovenloop beschrijft de omgeving vanaf het begin van de lente. Het steile terrein leidt tot enorm hoge stroomsnelheden, die de vorming van een V-vormige vallei bevorderen.
3. middenweg: De fluxcursus wordt gekenmerkt door uitgebreide fluxlussen, zogenaamde meanders. Centrifugale kracht permanent naar B
4. onderstroom: Er is nauwelijks stroom om te registreren in de lagere regionen, omdat er geen ravage meer is. Om deze reden is de rivier in de benedenloop ook het breedst. De banken zijn meestal begroeid met planten.
5. Mьndung: Overgang van de rivier naar de zee (rivierdelta). De typische delta met talloze estuaria is het gevolg van de afzettingen die door de rivier worden getransporteerd. Na verloop van tijd worden modder, zand en grind afgezet op de mond. Op een gegeven moment kan de rivier deze afzettingen niet meer 'overstromen' en stroomt ze daarom links en rechts langs hen heen. Dit proces wordt vele malen herhaald en biedt een rivierdelta op lange termijn.

Onderverdeling op basis van de Leitarten in FluЯ

Een andere manier om de rivier in afzonderlijke gebieden te verdelen, is door ze te delen door de soorten codes. Een leidend principe is de soort die voornamelijk voorkomt in een habitat.Een belangrijke voorwaarde hierbij is dat de Leitart ook niet voorkomt onder andere vergelijkbare omgevingsomstandigheden, omdat het anders niet mogelijk zou zijn om van soort tot habitat duidelijk te concluderen. De omgevingscondities in de verschillende gebieden van de rivier zijn relatief stabiel, wat betekent dat de verschillende diersoorten alleen in de voor hen gunstige gebieden wonen. In wezen zijn vijf delen of visregio's belangrijk:
1. Trout RegionTussen de bron en de bovenloop is het water helder en arm aan voedingsstoffen. Hoge opruiming veroorzaakt een hoog debiet, waarbij de zuurstofverzadiging van het water bijna 100% is. De grond is rotsachtig volgens de bergachtige omgeving. Cavia-soorten: forel
2. regio Дschen: Het water in de bovenloop is nog steeds koel, helder en bevat weinig voedingsstoffen. De grond bestaat uit rots en grof grind. Cavia-soorten: Дsche
3. regio barbeelHet barbeelgebied in het midden van de rivier wordt gekenmerkt door een gematigde stroming. Het water is een beetje warmer en verrijkt met voedingsstoffen, o.a. van uitgewassen rotsen en gevallen bladeren. Naarmate de stroomlengte toeneemt, wordt de grindgrond steeds zandiger. veel planten, vissoort: barbeel
4. Bream Region: De nu langzame stroomsnelheid leidt tot modderige afzettingen in de lagere bereiken. Het water is saai en rijk aan voedingsstoffen, met slechts een beetje zuurstof. De veelheid aan micro-organismen in dit stroomgebied verbruikt een groot deel van de zuurstof. Parelhoen: brasem
5. regio Ruffe: In de Kaulbarschregion eindigt de rivier in de zee, daarom komt het tot een vermenging van zoet water en zout water (= brak water). De stroom is erg zwak. Zand en modder worden afgezet op de bodem van de rivierbodem. Voedingsrijk water bevordert een uitgebreide plantengroei bij de lage stroomsnelheid op de oevers. Aan de mond ontwikkelt zich vaak een rivierdelta. Parelhoen: kemphaan

Zelfreiniging van waterlopen

Natuurlijk geïntroduceerde onzuiverheden zoals b.v. Bladeren, dode dieren of uitwerpselen kunnen een rivier zonder problemen verkleinen. In het normale geval worden de geïntroduceerde stoffen verbruikt onder zuurstofverbruik door de micro-organismen in de rivier. Bij gebrek aan voldoende zuurstof (anaërobe omstandigheden) produceert de ontleding van organisch materiaal ammoniak en waterstofsulfide, die zeer giftig zijn voor dieren in het water. Grote hoeveelheden onnatuurlijk (in de zin van de enorme hoeveelheid organische verbindingen), geïntroduceerd afvalwater, leiden tijdens afbraak tot een enorm zuurstofverbruik en dus uiteindelijk tot de ontwikkeling van ammoniak en waterstofsulfide.
Niet alleen de belasting van organisch ingebracht materiaal kan een ernstig probleem zijn in de rivierstroom. Als bijvoorbeeld zware metalen (lood, cadmium, kwik) in de rivier terechtkomen, kunnen ze de rivier onomkeerbaar vergiftigen. Omdat bij afzettingen van zware metalen de waterstroom praktisch geen mogelijkheid heeft tot zelfreiniging. Dienovereenkomstig leidt te veel stress tot de dood van bijna alle organismen in de rivier.